logojwpott  

jurry pott

HV 2102 oorlog en bevrijding

Oorlog en bevrijding

Het wenteltrapje naar de kelder onder de bakkerij had een gevaarlijke draai. Ook waren de tien afstapjes niet gelijk. De gewelfde ruimte was niet groot. Links was de bak waar mijn vader eieren in kalkwater bewaarde, er overheen lag een plank, bekleed met een kussen. Grote mensen konden daar niet zitten, want dan stootten zij hun hoofd tegen de muur. Grote mensen zaten aan de tafel met vier stoelen. Ik zat veel op de bank boven de eieren, speelde er zelfs/ Aan de rechterkant was een vierkant raampje, dat opening bood naar het plaatsje buiten tussen bakkerij en keuken. Mijn tante probeerde eens door dat raampje naar buiten te komen. Eigenlijk was die poging bedoeld om te onderzoeken of je bij nood door dat raampje kon vluchten. Dat lukte niet . Zij bleef halverwege steken en kon door haar dikte niet meer voor of achteruit. Mijn ouders hebben daar een hele hijs aan gehad. Maar nadien was een ding zeker. Je kon alleen in en uit de kelder komen via het wenteltrapje, dat uitkwam op de gang, die van de winkel langs de deur naar de kamer en de trap naar boven en de deur naar de bakkerij, naar de achterdeur leidde. Als je de winkeldeur aan de Hoogstraat binnenkwam, kon je door de gang zo naar de achtertuin en via de poort kwam je dan in de achterliggende Hofstraat. Die gang was eigenlijk een vluchtweg en werd ook inderdaad zo gebruikt door mensen die niet opgepakt wilden worden door de Duitsers.

Mijn ouders hadden die bakkerij in het voorjaar van 1939 gekocht in het oude Hanzestadje Hasselt aan het Zwartewater. Ze kwamen helemaal uit het noorden, uit Zoutkamp aan de Lauwerszee en wilden hier hun geluk beproeven. Dat viel niet mee, want in die tijd telde mijn geboorteplaats veel bakkers en niet zoveel inwoners. Dat was hard werken. Toen kwam een jaar later in mei de oorlog en ik kwam eind augustus.

Ik moet goed twee of bijna drie jaar geweest zijn dat ik me herinner, dat we onze woonkamer achter de winkel en tussen de oven van de bakkerij af en toe verwisselden voor de kelder. Dat was bij nood, als er vliegtuigen over kwamen en als er gevaar dreigde. Dan zaten we in de kelder en wachtten tot het moment dat we weer naar boven konden. Zondags zaten we in de zondagse kamer boven de winkel. Vier ramen keken uit op de Hoogstraat. Heel af en toe kwamen mijn opa en oma van mijn vaders kant een paar dagen op bezoek, meestal ging mijn vader naar Zoutkamp, waar mijn opa ook een bakkerij had. Mijn opa en oma van mijn moeders kant waren dood. Dat was de reden, dat mijn tante, een zuster van mijn moeder, bij ons ingetrokken was. Zij had helemaal op zolder, twee trappen naar boven, een kamer met een koekoek. Mijn slaapkamer was daar ook, maar die had alleen een dakraampje De twee lange smalle ramen van de koekoek keken uit over de daken van het eeuwenoude stadje. Dan zag je de torenspits van de Gereformeerde kerk, waar ik gedoopt was. Als je ver uit het raam reikte kon je de grote toren van de St.Stefanuskerk zien. Vroeger was die kerk Rooms-katholiek geweest, maar nu kerkten daar de Bonders. Zondags zongen de mensen in die kerk psalmen heel langzaam op hele noten. De boeren uit de omgeving waren gekomen met opgepoetste zwarte koetsen. De paarden stonden in de stalhouderij. Als ik met mijn vader wandelde stonden we even stil en luisterden naar die langzame zang en dan kon je het prachtige orgel horen. Het was heel vreemd, de beide kerken begonnen op dezelfde tijd, maar dat kerkvolk kwam veel later uit die grote kerk dan wij.

Tussen onze bakkerij en die grote kerk stond het hotel ‘De Herderin’. tegenover het oude stadhuis.. Daar woonde Vincent, mijn vriendje. Vincent ging niet naar onze kerk, ook niet naar de grote kerk, de kerk van Vincent stond een heel eind weg. Dan moest je eerst de Ridderstraat door, dan de Meijerbrug over de Binnengracht over en dan het Eiland en dan kwam je bij de kerk van Vincent, Vincent was Rooms-katholiek. Met hem speelde ik vaak bij de kikkersloot, dat was bij het kerkhof waar Vincents opa lag. Mijn zusje, dat direct na de geboorte overleed, lag op een ander kerkhof in het Bolwerk. Wandelend kon je daar de oude vestingwerken zien. Trouwens we hadden drie bruggen over de Binnengracht Middenin lag de Verlaatsbrug en nog verderop de Keppelbrug. Ik heb heel vaak staan kijken bij de Verlaatsbrug naar de doorvarende schepen, die vanaf het Zwartewater door de gracht naar de Buitengracht, waar de kalkovens stonden, of naar de Dedemsvaart voeren. Soms leek het of jij voer en het schip stil lag. Prachtig vond ik dat klompje, dat de brugwachter aan een stok met een touwtje aan de schippersvrouw reikte en waar dan geld ingedaan werd.. Als je bij ons de tuin uitliep, de poort door de Hofstraat in, even naar links, dan naar rechts door de Rosmolenstraat kwam je op de Prinsengracht uit. Daar was een trapje naar het water. Daar kon je fijn met bootje spelen.Mijn vader, moeder of tante hebben mij daar heel wat keren weggehaald. Ze waren dan erg boos..

Het plaatselijke nieuws hoorde mijn vader op straat en mijn moeder in de winkel. Het wereldnieuws, de oorlog, de regering in Londen, hoorden wij via radio. Die radio stond veilig in een kastje achter het behang, niemand kon die radio zien. Mijn ouders borgen die radio op, omdat de radio ingeleverd moest worden. Maar dat deden ze niet, want dan konden ze niets meer horen van Radio Oranje. Als je op het wenteltrapje naar de kelder stond, kon je een luikje open doen en dan kon je bij de radio. Mijn vader had dat opbergen heel stiekem willen doen, ik mocht het niet zien, hij was natuurlijk bang dat ik de geheime plaats zou verraden Toen hij eens luisterde naar de radio en ik dat zag, maakte hij mij met een gebaar van de vinger voor de mond duidelijk dat deze plek geheim was. Wij moesten wel heel voorzichtig zijn, want in het huis, dat aan onze tuin grensde woonden twee gezinnen. In de voorkamer woonden de Harwichs, uit Engeland, in de achterkamer woonde een NSB-gezin. Wij moesten dus heel goed oppassen, wat we zeiden, wat we deden. wat mijn vader bakte, want waar kwamen immers meel, boter en eieren vandaan. En natuurlijk ook voor de radio.

Op een dag stonden er twee Duitsers in de kamer.’Rundfunk?’ ‘Ra-di-o!” Mijn vader schudde zijn hoofd. “Al ingeleverd” en daarbij keek hij naar mij..Mijn moeder knipoogde heel eventjes naar me en mijn tante legde een hand op mijn hoofd.

Er verstreken zo’n goede vier jaar.We zaten aan het eind van die vier jaar meer in de kelder, de Tommies vlogen over. Naar de radio werd ook vaker geluisterd. Vier dagen na de geboorte van mijn broertje in het Sofiaziekenhuis in Zwolle reden de Canadezen met hun motoren, jeeps en tanks van de kant van de Lichtmis ons stadje binnen en ik was eens van de eerste kinderen die wat kreeg. Ik vroeg mijn tante, bij wie ik op de arm zat, wat die bruine reep was. ‘Chocola’ zei ze, en pakte zelf ook een stukje. Twee dagen daarvoor zat ik bij mijn tante achterop de fiets. We gingen helemaal over het Zwarte Dijkje via Streukel en Genne binnendoor naar Zwolle op bezoek bij mijn moeder en mijn pas geboren broertje. Over de lange brug over het Zwartewater naar Zwolle kon niet, die was door de Duitsers opgeblazen. Onderweg zagen we Duitsers, maar die hielden ons niet meer aan. Op die vrijdag, de dertiende april wapperde al op de toren de vlag met oranjewimpel en alle mensen waren blij.

Alleen onze buren in de achterkamer niet..