logojwpott  

jurry pott

HV 0302 kerststal in wierookgeuren

Kerststal in wierookgeuren

Mijn vriendje, Vincent, was rooms-katholiek. Thuis waren daar allemaal zusters en hij had nog een oudere broer. Hij was de jongste. Daarom zou hij later Meneer Pastoor worden of naar het klooster gaan, zo hoorde dat in een echt rooms-katholiek gezin, dat was de bedoeling, maar dat is er nooit van gekomen. Zijn vader was de eigenaar van het oude hotel 'de Gulle Waardin'. Op de muur stond een reclame geschilderd, daar trok een man een kurk van een fles. Heel groot. Elk jaar werd het weer bijgeschilderd. Dat hotel stond op de hoek van onze straat. Mooie lindebomen stonden ervoor en vormden zomers een dak boven het terras. We waren eigenlijk buurjongens en speelden veel samen, uren konden we turen naar de visjes en kikkers in de kikkersloot. En we kwamen dan vaak met vieze, smerige modderkleren terug. Vincent kreeg dan een wit bloesje van mij aan voor hij naar huis ging. Want zijn moeder vond dat vreselijk, als hij zo smerig was. Vincent ging niet naar onze kerk, wij waren gereformeerd.

En in onze kerk hadden we ook geen kerstboom, geen kerststal. Allerlei dingen die wij niet hadden, hadden ze wel bij Vincent in de kerk. Het geurde er bovendien ook heel apart.

Nu in deze tijd van het jaar, de tijd van Kerst, gingen we vaak even kijken in de kerk van Vincent op het Eiland. Heel voorzichtig deed je dan de grote eikenhouten deur open. Je kwam dan in een halletje met een bakje voor wijwater aan de muur, dan deed je weer een deur open en dan stond je in een duistere naar wierookgeurende kerk. Dan moesten je ogen eerst even aan de duisternis wennen. Maar daarna zag je dan in de kerk alles, de mooie beelden en de stal in een nis onder een gebrandschilderd raam.. Stro lag er echt en in een kribbe het Kindje Jezus met Maria en Jozef en de herders. Een os en een ezel keken toe bij dit tafereel.

Het was niet net echt, het was echt. Het waren prachtig uitgebeelde figuren, van gips en heel mooi beschilderd. Maria was altijd blauw. Boven haar hoofd had ze een stralenkransje. Vincent noemde dat een nimbus. Voor mij was dat een vreemd woord, zoals er wel meer vreemd was in deze kerk. Maar Vincent kon dat allemaal wel weten, want hij was ook misdienaar. Dan moest hij Meneer Pastoor helpen. Hij had dan ook heel mooie kleren aan. Op een keer, toen wij heel stil op onze knieën gebukt zaten te kijken, kwam Meneer Pastoor er aan. We hadden geen deur open of dicht horen gaan. Ineens stond hij naast ons. Net als de engel Gabriel, die ook ineens naast Maria en Elisabeth had gestaan om te zeggen, dat ze een kindje zouden krijgen. Meneer Pastoor zei: 'Zo, jongens, vind je het mooi.?' En voor we antwoord konden geven op zijn vraag, zei hij; 'Ik zie, Vincent, dat je je vriendje hebt meegenomen?' En hij beende, zonder ook nu weer een antwoord af te wachten, verder. Heel zacht hoorden we hem een wijsje van een bekend Kerstversje neuriën. 'Stille Nacht, Heilige Nacht'. Als je heel stil was, hoorde je het ruisen van zijn habijt in zwart en wit tussen de banken door. Dan toch een deur die dicht viel en de stilte om ons heen was weer volkomen. We keken nog naar de stal en naar Jezus, dat Kindje in de kribbe. Vincent zei tegen me: 'Heb je de os wel eens zien knikken?' 'Nee', zei ik.

Toen ging Vincent met zijn hand naar de kop van de os, en even later ging de kop van de os al dankbaar knikkend op en neer. 'Zie, de os bedankt voor een muntje, als je dat hierin gooit, kijk hier op de rug zit een gleuf, maar je kunt de kop van de os ook zomaar laten knikken'. Ik deed het ook nog een paar keer. Nu had de os genoeg dankbaar geknikt, terwijl ik geen muntje had gegeven. De volgende keer zou ik wat geld meenemen.