logojwpott  

jurry pott

HV 0705 mund

De vrouw van het Hoofd der School

Hij was een alleraardigste man. Hij was naar onze Christelijke school gekomen om pais en vree te bewerkstelligen. Immers, het waren de jaren kort na de oorlog en wat nog veel erger was in onderwijsland, het was ook nog maar enkele jaren na de beruchte Vrijmaking van 1944. De diepe wonden trokken nog steeds bloedige sporen door gezin, school en samenleving.
Bij ons in de plaats ging de hele kerk mee met de predikant, dat gebeurde wel vaker en zo werden we van gewoon Gereformeerd ineens Vrijgemaakt Gereformeerd, hoewel de echte, bijna ketterse Vrijgemaakte Gereformeerden dat eerste woord als een banvloek voelden. Ze konden dat woord Vrijgemaakt niet over hun lippen krijgen en noemden zich zelf gewoon Gereformeerd, bang, doodsbenauwd alsof ze er ziek van zouden worden.
Al mijn familie, Opa en Oma, ooms en tantes, wonend in Groningerland, in het hoge noorden, voelden zich niet zo kerks en kerkistisch en bleven Gereformeerd, zoals ze dat waren. Daar ging de hele kerk niet met de dominee mee, er was daar gewoon geen Vrijmaking. Of ze gingen wel met de dominee, maar bleven dan Gereformeerd.
Gelukkig maar. Maar ja, mijn vader en moeder waren uit dat rustige hoge noorden overgekomen naar Hasselt en waren daar een bakkerszaak begonnen en er woonden zo'n tweeduizend mensen in dat kleine stadje aan het Zwartewater..
Wij woonden onder de rook van Kampen en raakten dus eerder besmet met vrijgemaake of vrijgeraakte overvliegende roetdeeltjes. In het begin was er slechts een boer, die Gereformeerd bleef, zijn vrouw en kinderen raakten in de ban van de vrijgemaakte zielenherder.
Hij, toen al een oude man, stond pal op zijn erf en verdedigde het geloof der vaderen.
Maar, dat geloof der vaderen, het onvervalste, werd in de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerk gesproken. Volgens hen had God een speciale band met zijn volk dat kerkte in de kerk in de Nieuwstraat. De dominee zei letterlijk: 'Als Jezus, de Zoon van God, vandaag of morgen over de brug in onze stad aankomt en Hij wil ter kerke gaan, dan spoedt Hij zich naar onze kerk, want wij zijn de ware kerk'. De man had dat gedroomd en die droom gezien als een droom van God en vertelde dat in zijn preek op zondag als het Woord van God. Velen keerden zich nadien van hem af en keerden terug tot wat de gewone Gereformeerde kerk heette.
Die groep gelovigen groeide snel, ook de ouders van mijn vriend en wij thuis verlieten door de krasse uitspraken van de herder als schapen die geen herder hebben de kudde en gingen onze eigen weg.
Die scheidslijn liep natuurlijk ook door de Christelijke School. De Juf van klas een en twee en de Meester van klas drie en vier behoorden tot het uitverkoren volk van de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerk en zo had het Schoolbestuur in alle wijsheid en na veel bidden besloten, dat het Hoofd der School gewoon Gereformeerd moest zijn, om de vrede te bewaren.
Eerst, kort na die Vrijmaking, sputterden de Vrijgemaakten wel ontzettend tegen, omdat het kindertal van deze ouders veel meer bedroeg dan het kindertal van de gewone Gereformeerden, dat begon met nul, maar klom gestadig en groeide uit tot redelijk aantal, waarmee rekening gehouden moest worden.

Het Hoofd der School solliciteerde vanuit een plaats in de provincie Groningen. Het was een markante man, echt een Bovenmeester. Hij kon goed vertellen, de zaken op orde houden en leiding geven. Een donkere hoornen bril maakte hem streng. Hij bezat volgens het Bestuur van de Christelijke School de capaciteiten, die in dit wespennest nodig waren.
Natuurlijk kwam hij niet alleen, hij was getrouwd en had zonen en dochters.
De 'ambtswoning' werd het huis naast ons. Dat huis was van mijn vader en moeder, maar omdat wij met z'n allen boven de zaak woonden, verhuurden zij dit huis, dat zij kort na de oorlog, nog in 1945, hadden gekocht van de dames, van wie zij ook voor de oorlog in 1939 de zaak hadden gekocht. Later konden zij dit nog wel eens betrekken.
Bovendien kon het aardig klikken tussen de banketbakker en zijn vrouw en de schoolmeester en zijn vrouw, ze kwamen immers alle vier uit Groningerland en dat is bekend, Groningers maken van hun hart geen moordkuil, maar zeggen de dingen recht voor hun raap, zo uit het diepste van hun hart.

Niet ieder mens is gelijk. Zeker niet de schoolmeester en zijn vrouw. Hij was een gewone, open, eerlijke en goedaardige man. Zij voelde zich veel meer. Veel meer dan een ander, meer dan mijn moeder, en gewoon meer dan ieder ander mens. Een slechte eigenschap. Zij had verbeelding, zij kwam hautain over, zij stiftte haar lippen, smalle streepjes fel rood. Velen spraken daar schande van.
Maar zij was en zo voelde zij zich ook de vrouw van het Hoofd der School.

Zo stonden mijn vader en mijn moeder en het hoofd der school en de vrouw van het hoofd der school samen te praten op het trottoir voor ons huis, dat verhuurd was als onderkomen aan het schoolmeestersgezin. Het was zondag en de kerkgang was juist achter de rug. Er werd nog wat na gedelebreerd, gesproken over koetjes en kalfjes, over het wel en wee van allerlei zaken, over de geneugten van het leven zonder en met Vrijmaking. Ach, men verstond elkaar. Er werd gelachen, er heerste een volkomen ontspannen sfeer. Dat zag je en je proefde het.
In die sfeer gebeurde het. Ineens was daar de zin van de vrouw van het hoofd der school : 'Maar wij staan maatschappelijk gezien ook een trapje hoger dan jullie!'
En ze keek daarbij naar mijn moeder met haar fijngestifte lipjes, die na dit gezegde als een streep het gezegde onderstreepten. Mijn moeder was niet uit het veld geslagen, kordaat en zoals ik haar kende, antwoordde zij de vrouw van het hoofd der school, met een glimlach op het gezicht en zei: 'Dat klopt wel, dat u wat hoger staat, u staat namelijk op het stoepje voor de deur van ons huis, dat u slechts huurt.' Ruggen werden gerecht en naar ons toegedraaid, de sleutel knarste in het slot van ons huis, de deur van ons huis zwaaide open en het hoofd der school en de vrouw van het hoofd der school met hun kinderen gingen ons huis, het gehuurde huis, binnen. Nooit was de maatschap-pelijke positie meer getekend dan door de woorden van mijn moeder.
'Zij staat hoger op ons stoepje, zij staat een trapje hoger'.
Dat zinnetje herhaalde zij die dag vele keren en in de week erna hoorden wij haar dat ook nog tegen mijn vader zeggen. Totdat er niet meer over gesproken werd.