logojwpott  

jurry pott

HV 0801 1960 H. en A. Hoksbergen-Kok

Hoksbergen

Boer en boerin Hoksbergen waren de oom en tante van mijn vriend Lammert.
In klas 4 was hij mijn vriend en samen gingen we heel vaak naar zijn oom en tante.
Natuurlijk eigenlijk alleen 's zaterdags, als we vrij waren en in vakanties.
Het was nog niet zo gemakkelijk om er te komen. De boerderij van Hoksbergen lag aan een zanderige weg, wel begaanbaar bij droog weer, maar je moest er niet aan denken als het flink geregend had. Dan was het bijna een onbegaanbaar karrespoor, waar je van links naar rechts glibberde. De boerderij van Hoksbergen stond helemaal alleen in het boerenland. De buren woonden wel een honderd meter verder. En helemaal in Genne. Een boerenbuurtschap nog een heel eind verder dan Streukel, het was wel halfweg Zwolle.
Je fietste er toch gauw een dik half uur over.
Als we samen heen gingen, deden we dat al heel vroeg 's morgens, want je moest op een boerderij niet te laat aankomen. 's Morgens vroeg was er van alles te zien en je had dan de hele dag nog voor je.
Soms reden we ook wel eens mee met bakker Mulder. Die bezorgde zijn brood bij de boeren met paard en wagen. Die wagen was bovenaan geel en onderaan rood, met mooie letters stond er op 'Bakkerij Mulder' De zwarte kap welfde als een afdak naar voren. We mochten dan voorin zitten naast de bakker. Voor dat we dan de weg naar boer Hoksbergen insloegen moesten we stoppen bij zes andere boerderijen. Dat duurde dan wel even. Al met al eigenlijk meer dan het half uur fietsen, maar je zat warm en droog als het regende en het was gezellig. En bovendien kon bakker Mulder hele verhalen vertellen, over Hasselt, over de bakkerij en over de boeren.

Boerin Hoksbergen liep altijd in klederdracht. Een altijd glinsterend zwart fluwelen jakje met geborduurde bloemmotieven en over de zwarte rokken een blauw wit gestreepte schort. Op haar hoofd droeg Tante Jenne, want zo mochten we haar noemen een prachtig wit gesteven 'kneepiesmussie'. Gouden oorijzers had ze altijd, of het nu een gewone dag was of zondag.
Als Tante Jenne en Oom Cees 's zondags in de mooi opgepoetste koets naar de kerk in de Nieuwstraat gingen dan leek alles heel deftig. Een zwarte koets met zwarte kap, het zwarte paard 'Baldwin' voor de koets, tante Jenne in de koets, nu nog met een zwarte halsdoek, helemaal in haar zondagse dracht en oom Cees op de bok. 's Zondags droeg hij ook de boerendracht. Hij had dan een fluwelen jasje aan met mooie grote knopen en op de broek met presenteerblad, twee grote gouden knopen. Hij had dan kleine schoentjes met gehaakte kousen.
Ik heb nooit geweten wat Boerin Hoksbergen voor schoenen aanhad, haar rokken reikten altijd tot op de grond.
Overdag, de gewone dagen in de week, droegen ze allemaal klompen. Bij de deur werden die al uitgedaan en op kousevoeten schoven ze dan allemaal aan tafel. Wij ook.

Als we met bakker Mulder meemochten, dan hadden we het voordeel, dat we met het warme brood bij boerin Hoksbergen aankwamen.
De tafel in de bijkeuken was dan al gedekt met een plastic zeiltje, er lag een mes op een plank op tafel, ieder kon dat ene mes gebruiken, en rond de tafel stonden de stoelen voor de boer en de boerin, de zoons en dochters en voor de knechten, en ook voor ons.

Boerin Hoksbergen sloeg dan de schort naar boven, nam dan het nog warme brood, ze legde het tegen haar borst aan, omknelde het voorzichtig, nam dan het mes en sneed een flinke plak brood af. De snijrichting was daarbij naar haar toe gericht. Ik vond dat altijd wel griezelig, zo'n scherp mes, maar het ging altijd goed.
Zo herhaalde ze dat vele keren en elke keer kwam er weer een nieuw plak brood op tafel te liggen. Dan kwam de boter, met een houten lepel haalde tante Jenne eigengemaakte boter uit de karnton en smeerde dat op de plakken brood. Soms zag je geen eens brood meer, maar gele smeuiige boter bedekte het brood. Boter, die langzaam wegsmolt op het nog warme brood.
Boer Cees Hoksbergen nam altijd kaas op zijn brood. En de knechten ook.
Voor ons was het de grootste verrassing, als tante Jenne met de chocoladehagelslag kwam en onze boterham bestrooide. Grote korrels, heel veel korrels chocoladehagelslag smolten nu ook weg op de boter en het nog warme brood. Wat was dat een tractatie.
Dan gingen we bidden. Oom Cees en de knechten namen de pet af en deden die voor het gezicht, ze baden in de pet, oom Cees murmelde wat, het was echt niet te verstaan, en Lammert en ik keken voorzichtig door onze oogharen naar de lekkere boterham voor ons op tafel.
Als het 'amen' werd gehoord uit de mond van oom Cees namen we allemaal onze plak brood in de handen en beten eraf. Heerlijk. Als de plak wat te dik was, pakte je het mes en sneed je een stukje van je plak brood af.
Met zo'n plak brood, soms wel twee, kon je de hele morgen wel aan. Nu moest er gewerkt worden. Wij moesten de kippen voeren, de geiten eten brengen, de lege melkbussen op de houten vlonder zetten, want die ging tante Jenne straks schoonmaken in het heldere water van de brede sloot, die langs de weg liep. Dat water was altijd helder, in het voorjaar kon je de kikkers zien zwemmen, het kikkerrit kon je zien en later de kikkervisjes. En ook de salamanders. Soms mochten we als het warm weer was zwemmen in de sloot. En 's winters schaatsen op het zwarte ijs.
Oom Cees riep ons, of we mee gingen met de knechten naar het land om het hooi op te halen, we mochten dan op de terugreis boven op het hooi liggen en je werd heen en weer gewaggeld, van links naar rechts als de twee paarden de wagen naar de hooiberg trokken waar het hooi opgetast werd. Soms gingen we wel drie keer naar het land. Vooral als het mooi weer was.
Of we gingen de varkens en de koeien voeren. Er was zoveel te doen op de boerderij.
Soms mochten Lammert en ik ook in de zondagse opkamer. Dat was als de moeder van Lammert, de zus van tante Jenne op bezoek kwam. Dan zaten we op roodpluchen stoelen, de voeten op een Perzisch kleed. Aan de wand hingen platen met teksten, soms geborduurd, en gepoetst zilverwerk op schalen glinsterde je van alle kanten tegen. Er hing daar in die zondagse opkamer altijd een aparte sfeer en het rook naar boenwas.
Tegen elven slurpten we de koffie naar binnen, op het land uit blauwe kroesjes en in de boerderij uit stenen kommetjes. Altijd was daar een dikke plak koek bij met boter.
Op het warme avondeten, vaak bruine bonen met spek, had ik het niet zo staan. het was erg vet, daar hield ik niet zo van. Lammert gelukkig ook niet. Vaak gingen we eerder terug.
De neven van Lammert brachten ons dan met hun bokkenwagentje tot aan het eind van de boerenweg en wij liepen dan het laatste stukje zelf verder.

Die prachtige herinneringen aan tante Jenne, aan oom Cees, aan de boerderij en vooral de boterhammen, zo dik beladen, die blijven me altijd bij.

HV 0802 kleindochter met rouwmuts

kleindochter met rouwmuts