logojwpott  

jurry pott

HV 0901 mannus met de ijscokar

Mannes met de ijscokar

We hadden thuis een banketbakkerij, in het verhaal over 'Herinneringen aan het feest van Sinterklaas' heb ik dat al eens aan u verteld, en we verkochten ook ijs, roomijs, heerlijk, dat was alom bekend. Bekend in de wijde omtrek. Om heel veel mensen van dat lekkere ijs te laten proeven en te laten genieten had mijn vader ook ijscokarren. We hadden er twee. Een wat oudere, met de wielen aan de buitenkant, je kon dan op de grote zwartgeverfde spatborden zitten als je ergens stilstond en een heel moderne, waar de wielkasten ingebouwd waren. Die was mooier, gestroomlijnder maar die was wel gevaarlijker, want als je de bocht te krap nam, dan kwam het wiel tegen de lange trapstang en blokkeerde en het gevolg was, dat je dan met ijscokar, ja met alles omsloeg. De ravage was dan groot. Dan sloeg de grote klep open, de deksels vlogen eraf, de emmer met ijs en ook uit de houten kuip, waarin je ijs en vrieszout had gedaan, dat later door smelting tot pekel was geworden kwam op straat terecht, en ook de hoorntjes en bakjes voor de ijsjes van een stuiver, een dubbeltje en een kwartje kwamen op straat te liggen en je geld vloog uit het geldkistje. Een enorme ravage. En bovenal: je schaamde je ontzettend. Het is mij gelukkig maar drie keer overkomen. Daar had je met die oudere ijscokar geen last van. Daar kwam het spatbord tegen de trapstang en je sloeg niet om. Die ijscokar had trouwens ook mooiere deksels, eigenlijk echte ijscokardeksels, mooi gepoetst, verchroomd, dat stond prachtig. Alles glom daarin. Op de zijkanten van de ijscokarren stond met sierlijke letter geschilderd 'Banketbakkersijs' en voorop stond dan de naam en het adres van mijn vader. Mooie witte ijscokarren.
Ik heb vaak met de gestroomlijnde ijscokar door de straten van het stadje aan het Zwartewater gereden. IJsventen noemden we dat. Er waren heel wat liefhebbers om met de ijscokar ijs te venten. De verdienste was behoorlijk, je kreeg twintig procent. Nu is twintig cent van een gulden niet zoveel, maar twintig gulden van honderd gulden is een behoorlijke verdienste en als het mooi weer was, en je verkocht flink, dan kon je gemakkelijk meer dan die twintig gulden beuren, als er een feest of een concert in het park in de mooie muziekkapel was of een boerenboeldag, nou, dan zat je zo op de vijftig gulden. En dan moet je dat gaan uitrekenen over een week, je kon dan gemakkelijk aan een flink bedrag komen. Zo verdiende ik mijn eerste fiets, een mooie blauwe Locomotief, 'Tour de France', lichtgewicht met heel veel versnellingen. Je moest natuurlijk wel mooi weer hebben, met regen en koude dagen lag de verdienste stil.

Opeens was Mannes daar. Hij kwam als een donderslag bij heldere hemel. We kenden hem niet, maar hij wilde graag ijs verkopen. Hij kwam uit Zwolle, op de fiets. De afspra-ken werden tussen mijn vader en Mannes gemaakt en Mannes kwam op de ijscokar, op de oude. Daar koos hij voor. Zeker om die mooie chromen deksels. Hij kreeg een wit jasje, dat mijn vader te klein geworden was aan, dat stond hem prachtig en maakte hem tot een echte ijscoventer of nog beter gezegd ijsverkoper..
En Mannes verstond de kunst van ijsverkopen. Het was natuurlijk heel belangrijk hoe-veel ijsjes je uit een emmer ijs kon smeren. Daar zat immers je verdienste in. Mannes kocht de emmer ijs van mijn vader en bellend reed hij door de straten en verkocht ijs aan kinderen en moeders. Bij de brug, staande tegen de oude poortmuur met de leeuw, verkocht hij ijs aan de vele vakantiegangers, die gingen uitrusten op de bankjes met het zicht op het Zwartewater en voorbijvarende schepen en de zeilboten.
En bij het zwembad stond hij. Overal waar geld te verdienen was, daar was Mannes met de ijscokar.
Gewoonlijk haalde je zo'n vijftig gulden uit een emmer ijs. Maar dan moest je wel goed kunnen 'smeren'. Dat is een vakterm, die gebruikt wordt door ijscoventers. Je moet genoeg ijs aan je ijsschep hebben en dan in een draai het ijs op het hoorntje doen. In een tweede draai geef je dan vorm aan de ijsco. Dan lijkt het heel wat, veel ijs, keurig bovenop de randen van het ijshoorntje, de tweede draai gaf er een flinke kop aan. Niet erin, dat willen de klanten wel, maar dan kun je je verdienste op de buik schrijven. Als je dus zuinig kon smeren, dan was de verdienste geweldig en dan kwam de winst dubbel naar je zelf toe. Dan kon je veel meer uit een emmer ijs halen.
We hebben wel ijsverkopers gehad, die daar niets van konden, ik kon het vrij goed, maar Mannes was dat betreft een geweldenaar. Direct na aankomst maakte hij dan alles klaar en begon met de verkoop. Korte tijd laster was hij er al weer om een nieuwe emmer ijs te halen en ook belde hij wel eens op of we een nieuwe emmer ijs konden brengen. Mijn vader was best in zijn nopjes met Mannes, hij verkocht veel ijs en het was bovendien ook nog een aangenaam mens. Hij deed eigenlijk nergens moeilijk over. Hij was bovendien altijd opgewekt en dat moet je ook zijn als ijsverkoper, omdat je natuurlijk erg van het weer afhankelijk bent. Het was iemand die je kon vertrouwen, dat dachten we ook.
Toen Mannes op een wel erg warme zomerse zaterdag op zijn fiets aankwam, was er niets bijzonders aan de hand, hij zette de fiets in de schuur, pakte alles wat nodig was om de ijscokar klaar te maken en ging ijsventen. Hij kwam die zaterdagavond wel laat terug, in Genne had hij bij een boerenfeest met een tractorbehendigheidswedstrijd nog al flink verkocht. Hij ruimde alles op, reed de ijscokar in de schuur en rekende af. Toen hij naar huis wilde gaan bleek zijn fiets een lekke band te hebben. Plakspullen waren er niet, en hij wilde toch wel heel graag naar huis. En de laatste bus naar Zwolle was ook net vertrokken.
Hoe moest hij nu thuis komen? Wat nu? Mannes had een idee. Hij stelde voor deze ene keer voor om met de ijscokar naar zijn huis in Zwolle te fietsen, dan kwam hij maandag op tijd terug met de ijscokar om weer te gaan ijsventen. De weersberichten waren geweldig. Dan zou hij eerst de lekke band plakken. Mijn vader hield er niet van. Met de zondag in het vooruitzicht had hij graag zijn ijscokar in de schuur staan en niet ergens op een stoep van een straat in Zwolle. Bovendien wist mijn vader niet eens het juiste adres van deze free-lance ijsverkoper. Mannes had ook geen telefoon. Allemaal vaag-heden die het meegeven van de ijscokar tot een schemerig denkveld maakten.
Maar ja, het was wel de enige oplossing en het spreekwoord zegt 'Nood breekt wet' en zo fietste Mannes met de ijscokar in het donker naar Zwolle. En maandagmorgen was Mannes er weer met de ijscokar. Niets leek er gebeurd te zijn, totdat er 's middags een vertegenwoordiger in de zaak kwam. Mannes had zijn lekke fietsband geplakt en was al weer aan het ijscoventen. De vertegenwoordiger vertelde mijn vader, dat hij en zijn vrouw gisteren met dat mooie zomerweer een heerlijk fietstochtje hadden gemaakt. Via Ittersum over de IJsseldijk naar Wijhe en daar met het pontveer over naar de andere IJsseloever en zo al fietsend over de dijk langs de molen van Marle, langs Heerde en Wapenveld en zo naar Hattem. Daar hadden ze op een terrasje heerlijk thee gedronken. Net over de IJsselbrug aan de Zwolse kant, onder de bomen bij de Willemsvaart, hadden ze een ijsje gekocht. Heerlijk Banketbakkersijs. 'Bakker Pott, je raadt nooit van wie dat lekkere ijsje was?''Nee, zei mijn vader, dat weet ik niet'. 'Het was in ieder geval niet van Banketbakker Pott in Hasselt' De vertegenwoordiger zei toen: 'Jawel, dat had je gedacht, het was wel van banketbakker Pott, naam en adres stonden aan de voorkant op de ijscokar' 'Ik verbaasde me er nog over en zei niets tegen mijn vrouw, want ik dacht dat die Gereformeerde banketbakker uit Hasselt op zondag geen ijs verkocht.' 'Nee, zijn mijn vader, dat doet hij niet op zondag, dat zal hij ook niet doen en het is ook absoluut de laatste keer geweest, dat je onze ijscokar op zondag ergens hebt zien staan, die staat verder alle zondagen in de schuur'. Mijn vader zei verder niets, je zag aan zijn gezicht dat zijn kwaadheid groot was, in een oogwenk had hij zijn besluit genomen, stapte voor de verbouwereerde vertegenwoordiger langs en beende met grote passen door de keuken, langs het tuinpad naar de schuur. Daar pakte hij in een woest gebaar de fiets van Mannes en reed er hard op weg.
Ergens, bij de brug, bij het zwembad of in een straat moest Mannes met de ijscokar zijn. Het rinkelende belletje verraadde zijn aanwezigheid. Binnen een kwartier was mijn vader er weer. De ijscokar met de mooie glimmende ronde chromen deksels stond voor de zaak geparkeerd en diende nu als een stille reclame. Mijn vader heeft ooit met geen woord gerept over het gebeurde.
We konden slechts gissen. Zou hij met zijn grote handen Mannes geslagen hebben? Of zou hij alleen deze zaak met woorden hebben afgekund? Daartoe was hij ook in staat. Zou hij alleen gekeken hebben en een woord hebben gezegd dat alles betekende? Zouden andere mensen het gezien of gehoord hebben? En als dat zou was, wat zouden die dan denken of zeggen?
Vader schoof alsof er niets gebeurd was weer achter de werkbank en ging rustig, alsof er niets gebeurd was, verder met het uitrollen van het deeg door de suiker, Hasselter Juffers heette dat koekje.
De vertegenwoordiger schreef de bestelling op, groette beleefd en ging weer verder.

Ik bewaar slechts een foto van Mannes met de ijscokar voor de ingang van het bolwerk, waar de muziekvereniging een concert gaf.
Van Mannes hebben we nooit meer wat gehoord. Ook die deed er het zwijgen toe.